Vennootschapsbelastingplicht voor onderwijsinstellingen: wat moet u doen?

Per 1 januari 2016 zijn onderwijsinstellingen in beginsel belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) geworden. Dat geldt indien en voor zover zij fiscaal een onderneming drijven. Door deze wetswijziging hebben onderwijsinstellingen in principe dezelfde fiscale verplichtingen als private ondernemingen, tenzij een beroep kan worden gedaan op de nieuwe onderwijsvrijstelling. Dit betekent dat onderwijsinstellingen mogelijk Vpb-aangifte moeten doen over het boekjaar 2016. Bij verreweg het grootste gedeelte van de onderwijsinstellingen zal echter geen sprake zijn van het drijven van een onderneming. Die instellingen vallen onder de onderwijsvrijstelling. Slechts in bepaalde gevallen zal sprake zijn van vennootschapsbelastingplicht. Wij lichten de Vpb-plicht voor onderwijsinstellingen en de daaruit voortvloeiende verplichtingen graag nader toe.

Vpb-plicht in het algemeen voor onderwijsinstellingen

De wetswijziging kan betekenen dat onderwijsinstellingen vanaf 1 januari 2016 Vpb-plichtig zijn geworden, terwijl zij dat voorheen niet waren. Er is sprake van een Vpb-plicht op het moment dat een onderwijsinstelling door het verrichten van activiteiten een onderneming drijft, bijvoorbeeld doordat zij jaarlijks een positief exploitatieresultaat haalt (winst) of dat een onderwijsinstelling in concurrentie treedt met commerciële partijen. De (fiscale) winst die wordt behaald met deze ondernemingsactiviteiten wordt jaarlijks belast met 20% tot 25% vennootschapsbelasting.

Voor de meeste onderwijsintellingen geldt de onderwijsvrijstelling

Als onderdeel van de nieuwe wet is een specifieke vrijstelling voor publiek gefinancierd onderwijs geïntroduceerd. Onderwijsinstellingen zijn vrijgesteld van Vpb, indien de activiteiten voor 90% of meer bestaan uit bekostigde onderwijs- en/of onderzoeksactiviteiten. Van bekostigd onderwijs is sprake als deze activiteiten voor 70% of meer worden gefinancierd door publieke middelen, wettelijk collegegeld of lesgelden of bijdragen van algemeen nut beogende instellingen waarvoor geen contractuele tegenprestatie wordt gevraagd. 

De onderwijsvrijstelling kent dus een tweetal toetsen, namelijk de activiteitentoets (bestaan de activiteiten van de onderwijsinstelling voor 90% of meer uit bekostigde onderwijsactiviteiten?) en de bekostigingstoets (worden deze onderwijsactiviteiten voor 70% of meer bekostigd uit bovengenoemde middelen?). Als aan beide toetsen wordt voldaan, dan is de onderwijsinstelling voor alle activiteiten vrijgesteld van haar Vpb-plicht.

Indien minder dan 90% van de activiteiten van de onderwijsinstelling bestaat uit publiek bekostigd onderwijs, dan geldt de vrijstelling voor de fiscale winst voor zover de onderwijsactiviteiten voldoen aan de bekostigingstoets. Deze bekostigingstoets geldt in dat geval per activiteit. De overige activiteiten zijn in dat geval Vpb-belast (tenzij een beroep kan worden gedaan op een andere vrijstelling in de wet).

Wat betekent een Vpb-plicht voor uw onderwijsinstelling?

Wij verwachten dat weinig onderwijsinstellingen in het primair onderwijs (PO) en voorgezet onderwijs (VO) te maken krijgen met een Vpb-plicht, aangezien in veel situaties geen sprake is van ondernemerschap dan wel de bovengenoemde vrijstelling van toepassing is. Hierbij is de vrijstelling van rechtswege van toepassing indien aan de voorwaarden wordt voldaan. Dit houdt in dat er geen beroep op een vrijstelling hoeft te worden gedaan, maar deze automatisch van toepassing is.

Als echter toch een Vpb-plicht bij uw onderwijsinstelling wordt geconstateerd (dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij Internationale scholen, die in belangrijke mate worden gefinancierd uit ouderbijdragen, kinderopvangactiviteiten, Integrale Kindcentra (IKC’s) of een detachering van personeel), dan dient de onderwijsinstelling een Vpb-aangifte in te dienen ter zake van de ondernemingsactiviteiten. Bij deze Vpb-aangifte speelt de (fiscale) openingsbalans een belangrijke rol. U dient namelijk activa en passiva toe te rekenen aan de belaste activiteiten. Daarnaast moet de waarde in het economische verkeer worden bepaald om te komen tot een juiste openingsbalans. Wij merken op dat de opstelling van een correcte fiscale openingsbalans in de praktijk lastig kan zijn.

Valt uw onderwijsinstelling onder de Vpb-plicht? Wat moet u dan doen?

De impact van de gewijzigde Vpb-plicht kan worden bepaald door de verschillende ondernemingsactiviteiten binnen uw onderwijsinstelling in kaart te brengen. Hierbij zijn in het bijzonder de activiteiten naast het reguliere onderwijs van belang. Met behulp van een dergelijk overzicht kunnen de Vpb-gevolgen worden bepaald. Ook indien u op dit moment geen Vpb-aangifte hoeft te doen, adviseren wij wel om te (blijven) monitoren of er geen veranderingen plaatsvinden in de belastbaarheid van de activiteiten.

Indien sprake is van Vpb-plicht, is uw onderwijsinstelling verplicht een Vpb-aangifte in te dienen. Deze aangifte moet binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar zijn ingediend. Mogelijk ontvangt uw onderwijsinstelling een brief van de Belastingdienst. Hierin wordt gevraagd om aan te geven of de onderwijsinstelling (en eventuele verbonden partijen of andere samenwerkingsverbanden die onder uw organisatie vallen), Vpb-plichtig is (zijn). In dit kader moet u aangeven of u een Vpb-aangifte wenst. De Belastingdienst zal u vervolgens, indien van toepassing, een uitnodiging tot het doen van aangifte sturen. Maar let op: indien de Belastingdienst u niet uitnodigt tot het doen van aangifte, dient u zelf actief te verzoeken om een aangiftebiljet. De verantwoordelijkheid inzake de Vpb-plicht ligt dus bij de onderwijsinstelling.

Thomas Neijzen

Thomas Neijzen

Wilt u reageren of meer informatie?